Eigenharp eerst!

Met de komst van de Eigenharp, een elektronisch blaasinstrument is het doodvonnis van de traditionele blaasinstrumenten wel bezegeld. De Eigenharp bied ongekende mogelijkheden en is naar mijn idee een nieuw hoogtepunt in een ontwikkeling van elektrisch versterkte en elektronische muziekinstrumenten die in de jaren veertig van de vorige eeuw op gang is gekomen met het versterken van de gitaar en de basgitaar. Na de snaarinstrumenten, de toetsinstrumenten, de ontwikkeling van de synthesizer, het elektronisch drumstel is nu het blaasinstrument eens goed onder handen genomen.
Natuurlijk is al eerder geprobeerd om een elektronisch blaasinstrument te ontwerpen, de Liricon uit de tachtiger jaren is daar een voorbeeld van, maar een succes werd het nooit. Te weinig mogelijkheden, te gecompliceerd, te duur, te weinig solide. Met de komst van de Eigenharp is dit allemaal veranderd. Je kunt er nog steeds een melodie op blazen zoals op een fagot, maar je kunt ook allerlei effecten triggeren met je adem. Het toetsenbord reageert op de vingerdruk en dient behalve voor het variëren van de toonhoogte ook voor speciale effecten, begeleiding, loops, modulaties, noem het maar op. Je kunt er desgewenst je eigen orkest mee vormen. Geen gezoek meer naar geschikte collega’s, stel je voor! Het instrument ziet er dank zij een fagotachtig uiterlijk en al die ledlampjes vet cool, zeg maar sexy uit. Het heeft eigenlijk alles in huis om een hit te worden. En het allermooiste: de allerslechtste beginnersfagot uit het voormalige Oost Duitsland waar je na twintig lessen nog steeds geen geluid uitkrijgt, is een stuk duurder dan dit muzikale wonder. Je kan kiezen uit small, medium en large. Met medium en large kun je hele orkesten nabootsen, met small zijn de mogelijkheden uiteraard wat beperkter. Maar dit instapmodel is door zijn eenvoud en handzaam formaat weer erg geschikt voor kinderen. Het is ongeveer vier keer zo goedkoop als zo’n vals tijgerfagotje of zo’n prehistorische faginello. Als vader van het grote gezin weet ik het wel! Iedereen een Eigenharp! Have fun kids!

Geplaatst in fagot | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Johannes Meinardus Coenen (1824-1899), een actie!

Het is soms wel eens prettig om gebruik te maken van het werk van anderen. Henk de Wit was zo attent om me te wijzen op een korte biografie van J.M. Coenen door Emile Wennekes, hoogleraar musicologie aan de Universiteit van Utrecht.
Coenen, nu nog alleen nog bekend van de gelijknamige straat in Amsterdam Zuid was behalve dirigent ook componist en fagotvirtuoos. Hij stond aan de wieg van Het Concertgebouworkest. Uit mijn studietijd herinner ik me dat zich in Henk’s bibliotheek een sonate van Coenen bevond, in manuscript. Iemand heeft die sonate eens uitgevoerd op een voorspeelavond op het Rotterdams Conservatorium. Dat het een bijzonder stuk was, dat weet ik nog. Maar wie het uitgevoerd heeft en wanneer kan ik me niet meer herinneren.
Die sonate zou eigenlijk uitgegeven moeten worden: het zou een welkome aanvulling betekenen op het karige romantische repertoire voor de fagot. Helaas is het als onderdeel van Henks bibliotheek naar de Stichting Henk de Wit Collectie gegaan en niet meer toegankelijk. Die stichting  - inmiddels omgedoopt tot Stichting Fagotmuziek – heeft zich te oordelen aan het geringe aantal van vijf (!) publicaties de afgelopen tien jaar, kennelijk ten doel gesteld om deze kostbare collectie ergens in een garage te laten verpieteren. Als er niets gebeurt, verpulvert al die muziek van zelf en is de stichting gelijk van het probleem af. Dan valt er niets meer uit te geven.
Voorlopig dus geen Coenen op de pupiter, tenzij we onze krachten bundelen en actie voeren! Daarbij neemt De Lachende Fagottist graag het voortouw. Mocht u de noodzaak van uitgave van deze sonate en van nog talloze andere interessante werken onderschrijven, dan verzoek ik u mij via een email uw actiebereidheid te tonen. Hopelijk kunnen we op die manier de stichting fagotmuziek vermurwen.
Het is in uw eigen belang!

Hier volgt de biografie:

Coenen, Johannes Meinardus, componist en dirigent (‘s-Gravenhage 28-1-1824 – Amsterdam 9-1-1899). Zoon van Cornelis Coenen, ambtenaar op het departement van Koloniën, en Johanna Elisabeth de Barnsteen. Gehuwd op 3-3-1853 met Christina Wilhelmina Jacoba van Ollefen (1828-1902), actrice. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren.

Johan Coenen gaf al op jeugdige leeftijd blijk van een bijzonder muzikaal talent. Om dit verder te ontwikkelen kwam hij in zijn geboorteplaats, Den Haag, onder de hoede van J.H. Lübeck aan de Koninklijke Muzijkschool, waarvan deze directeur was. Lübeck bracht hem de beginselen van de muziektheorie bij. Coenens hoofdinstrument in deze brede opleiding – waarvan het curriculum ook viool- en zangles omvatte – was de fagot. Hiermee verdiende hij, na de voltooiing van zijn studie in 1840, spoedig de kost in de Hofkapel van de koningen Willem I en Willem II. Dit gezelschap, dat Coenen een enkele maal ook dirigeerde, werd in 1841 opgeheven, waarna hij bijna een decennium lang naam maakte als een virtuoos blazer en optrad als solist bij verschillende gezelschappen.

In 1852 verhuisde Coenen naar Amsterdam, waar hij orkestdirecteur (: dirigent) was geworden bij het Amsterdamse Grand Théâtre van A. van Lier, een post die hij in 1856 verruilde voor die van muziekdirecteur van de hoofdstedelijke Stads-Schouwburg. In deze jaren werd niet alleen Coenens reputatie gevestigd als een kundig dirigent, maar bleek hij zich tevens te ontwikkelen tot een verdienstelijk componist en arrangeur, die bewees dat effectieve theatermuziek niet per se van buitenlandse bodem hoefde te zijn.

In het theaterbedrijf voelde Coenen zich als een vis in het water. Voor toneelvoorstellingen componeerde hij in de periode 1851-1865 al tal van entr’actes, ouvertures en een kleine vijftig balletten, waaronder het populaire Juanita, of de Bruid van Valencia . Ook in Coenens privé-leven speelde het theater een rol van betekenis. Zijn echtgenote was de actrice Christina van Ollefen, telg uit een bekend toneelgeslacht.

Na de dood van J.B. van Bree in 1857 kreeg Coenen tevens de leiding over de veelgeroemde abonnementsconcerten van de sociëteit ‘Felix Meritis’. Hier plaatste hij geregeld eigen werken op het programma. Het publiek kon Coenen nu en dan ook nog als fagottist beluisteren, vanaf 1861 onder meer als lid van het Amsterdamsch Blaaskwintet. Sinds 1869 trad hij tevens op als eerste luitenant-kapelmeester van het muziekkorps van de Amsterdamse Schutterij.

Zijn functies bij de Stads-Schouwburg en bij ‘Felix Meritis’ legde Coenen neer toen hij begin 1865 van de directie van het Paleis voor Volksvlijt de opdracht kreeg een professioneel symfonieorkest – één van de eerste in Nederland – te formeren. Dertig jaar lang zou Coenen als dirigent gezichtsbepalend zijn voor dit Paleisorkest. In een tijd dat een kwalitatief hoogstaand ensemble als het Concertgebouworkest nog niet bestond, representeerde het Paleisorkest het beste op het gebied van de vaderlandse orkestcultuur. Zo verdedigde het orkest Nederlands reputatie tijdens een concert op de internationale tentoonstelling van 1878 in het Parijse Trocadéro.

Intussen componeerde Coenen ‘met een zelden geëvenaarde werkkracht’ (De Portefeuille (1885-1886) 675) een groot aantal werken voor uiteenlopende bezettingen. Zijn oeuvrelijst telt twee symfonieën – waarvan de eerste werd bekroond door de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst -, concerten voor viool, fluit, klarinet en fagot, pianocomposities, verscheidene cantates – waarvan de eveneens bekroonde Ada van Holland op Texel op een tekst van J.P. Heije uit 1863 de bekendste is – en de romantische opera Bertha en Siegfried, of de Zegepraal der Onschuld uit 1882.

Omstreeks 1875 vormde Coenen samen met balletmeester E. Witt en decorontwerper J.D.G. Grootveld een triumviraat dat een groot aantal zeer populaire romantisch-naturalistische balletten en harlekinades op de planken bracht. Jaarlijks componeerde Coenen zodoende drie à vier balletten. Het dagblad De Echo schreef in 1894 naar aanleiding van Coenens zilveren jubileum als kapelmeester der dienstdoende schutterij te Amsterdam: ‘Wie is er, die niet genoten heeft van een fantaisie op de opera … noem maar welke gij wilt. Wie is er van de oudere Amsterdammers, die niet getrippelvoet heeft op de maat van een der 125 balletten, die Coenen geschreven heeft voor den Stadsschouwburg en het Paleis voor Volksvlijt in zijn gulden dagen?’

Deze lovende woorden konden echter nauwelijks verhullen dat de carrière van Coenen langzaam maar zeker ten einde liep. Na allerlei moeilijkheden en bezuinigingen werd het Paleisorkest in 1895 ontbonden. Coenen, de auctor intellectualis van het orkest, trok zich terug uit het openbare muziekleven. Hij leefde nog enkele jaren verbitterd vanwege de wijze waarop hij door de Paleisdirectie terzijde was geschoven en ‘in zéér kommervolle omstandigheden’, aldus de woorden uit een circulaire waarin om een gift werd verzocht om de ernstigste nood van Coenen te lenigen. Dat geld kwam er, mede dank zij de vrijmetselaarsloge waarvan hij lid was. Eén keer mocht de Paleisdirigent nadien nog een staande ovatie ontvangen; dat was toen C. van der Linden op Coenens verjaardag in 1897 een ouverture van de hand van de grijsaard uitvoerde.

Toen Coenen op 74-jarige leeftijd overleed, liet hij een omvangrijk compositorisch oeuvre na. Toch was hij, mede vanwege zijn vele gelegenheidswerken, een ‘figuur van voorbijgaande betekenis’, die, enigszins gechargeerd, een epigoon genoemd kan worden van Felix Mendelssohn Bartholdy en Niels Gade (Reeser, 114). Dat neemt niet weg dat Coenen vooral als dirigent van het Paleisorkest een belangrijke wegbereider is geweest van de professionalisering van het orkestwezen in Nederland. Het Concertgebouworkest recruteerde immers veel van zijn musici uit het orkest van het Paleis voor Volksvlijt, en kon daarmee oogsten waar Coenen had gezaaid.

A: Archief-J.M. Coenen in het Nederlands Muziek Instituut te ‘s-Gravenhage.

L: N. v. H[arpen?], ‘Het 20-jarig jubileum als Orkestdirecteur van het Paleis voor Volksvlijt van Joh.M. Coenen’, in De Portefeuille 7 (1885-1886) 674-676; lemma in Eduard A. Melchior, Wetenschappelijk en biographisch woordenboek der toonkunst (Schiedam 1890) 127; ‘Joh.M. Coenen’, in ‘Geïllustreerd Zondagsblad’ van De Echo , 21-7-1894; Het Orgel , 15-1-1899, p. 155; G. Mann, ‘Joh. M. Coenen’, in Weekblad voor Muziek 6 (1899) 13 e.v.; lemma in J.H. Letzer, Muzikaal Nederland, 1850-1910. Bio-bibliographisch woordenboek van Nederlandsche toonkunstenaars en toonkunstenaressen … (Utrecht 1911) 35; E. Rebling, Een eeuw danskunst in Nederland (Amsterdam 1950) 220-222, 224; E. Reeser, Een eeuw Nederlandse Muziek, 1815-1915 (2de herz. dr.; Amsterdam 1986) 114; lemma door Jan ten Bokum, in Die Musik in Geschichte und Gegenwart. Allgemeine Enzyklopedie der Musik XV (Kassel [etc.] 1989) 1529-1530; Emile Wennekes, ”’Tot een beter begrip van muziek en tot veredeling van den heerschenden smaak”. Het orkest van het Paleis voor Volksvlijt’, in Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis , XLV-1 (1995) 33-66; idem, ‘Het Paleisorkest’, in Mens en Melodie 50 (1995) 507-513 en 563-568; idem, Het Paleis voor Volksvlijt (1864-1929). ‘Edele uiting eener stoute gedachte!’ (‘s-Gravenhage 1999).

I: ‘Geïllustreerd Zondagsblad’ van De Echo , 21-7-1894.

Emile Wennekes

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)

geplaatst gewijzigd op 10-02-2012

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Beyond Baroque!

   Leslie Ross in actie

Voor Leslie Ross de Canadese fagottiste en fagotbouwer die in New York woont en werkt,  heeft De Lachende Fagottist altijd een groot respect gehad. Een oorspronkelijker kunstenaar is vermoedelijk moeilijk te vinden, zeker niet in de postcode fagot.
Onze eerste kennismaking vond plaats in 1992 tijdens de fagotdagen in de IJsbreker in Amsterdam. Leslie arriveerde daar met een overgewicht aan computers en beeldschermen. Eentje daarvan was op reis beschadigd geraakt, maar dat mocht de vreugde niet drukken. Ik herinner mij een heel rare performance: een dame die op een met allerlei snoeren en contacten aan een computer geklonken fagot de vreemdste geluiden stond te maken en die het niet scheen te deren dat er af en toe een scherm op zwart ging of de boel uitviel. Hoe anders dan wat we gewend waren! Je hoefde dus niet per se een lessenaar met noten voor je neus te hebben om muziek te maken, het kon ook zo! Ultieme artistieke vrijheid! Dat was een openbaring voor me. Ik vond dit zo’n inspirerende en opluchtende gedachte dat ik besloot om ook het avontuur te zoeken. De basis voor Trio Strakke Lucht werd op die avond gelegd.  Bovendien: Leslie was totaal zich zelf. Als ze al een ego had, dan bleef dat goed verborgen.
We waren samen ingedeeld in een ensemble dat enige Estampiëen van Bernard van Beurden moest uitvoeren. Dat lag haar niet. Met andermans ideeën wist ze niet goed raad en zeker niet met van Beurdens dertiende eeuwse oprispingen, hoewel ze wel zonder kleerscheuren door de uitvoering heen kwam.
Als coördinator van het dubbelrietfestival in Rotterdam, werd ik in 1994 uitgezonden naar de IDRS conferentie in Bloomington om op de voorhand kennis te maken met alle dubbelrietbobo’s. Ik maakt van de gelegenheid gebruik om Leslie op te zoeken in New York. Ze liet me haar werkplaats zien ergens boven in een oud gebouw in Lower East Side waar ze een constante stroom barok- en klassieke fagotten produceerde. Ze had het razend druk. Overdag, als ze aan het werk was, fietste ik rond door de stad, wat heel goed te doen was, als je een beetje uitkeek voor kuilen en uitstekende putdeksels in het wegdek en ‘s avonds bezochten we duistere gelegenheden waar live muziek gemaakt werd. Ik herinner me een blazerstrio rond een schemerlamp. Iedere muzikant had een lichtschakelaar tot zijn beschikking, waarop hij moest trappen om de anderen er op te attenderen dat hij wilde soleren. Hier werd ongegeneerd geëxperimenteerd en zonder een cent staatssteun, dat was duidelijk. De opbrengst kwam van de deur. Wat een verschil met mijn biotoop, waar men pas begon te spelen als de subsidie binnen was.
Natuurlijk nodigde ik haar uit om naar het Dubbelrietfestival in Rotterdam te komen. Daar presenteerde zij zich met een zeer wonderlijke performance die The Bellows heette: een soort doedelzak die als een enorme broek om haar heen zat en op haar fagot aangesloten was. Ook dit optreden maakte indruk op me.
In de jaren daarop zag ik haar nog sporadisch. Ze kwam nog wel eens naar Amsterdam om bij Henk de Wit instrumenten op te meten of tijdens een tussenstop op weg naar een beurs. We verloren elkaar uit het oog. Toen ik laatst de poster van die fagotdagen weer in een niet uitgepakte verhuisdoos tegenkwam, moest ik even aan haar denken. Meteen even gegoogled. En gelukkig: Leslie is nog alive and kickin’ te oordelen aan twee grappige filmpjes die ik tegenkwam. Eentje is een opname van een recent optreden in Beyond Baroque, een venue ergens in California en de tweede schetst Leslie ten voeten uit, fietsend door Manhattan op haar zelfbedachte en in elkaar geknutselde Cyclestrument.

Ga beslist even kijken, tien tegen één dat je meteen zin krijgt om zelf ook weer eens wat creatiefs te doen!

Geplaatst in fagot, Geschiedenis | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een fijne collega

Uit:  Le Bassoniste, maart 1980

De archieven van Henk de Wit zijn een onuitputtelijke bron van de wonderlijkste documenten. Wat te denken van deze necrologie van bassoniste Paul Betz, bijna 30 jaar lang tweede fagottist in het Lamoureux orkest en vervolgens – op eigen verzoek (sic!) – ‘gedegradeerd’ naar de contrabassonplaats. Zijn collega’s geven hem in de laatste alinea nog een klein trapje na: …..un grand professionel, qui malgré un caractère parfois difficile, fit toujours l’uninamité parmi ses collegues (vert. een groot professional, de ondanks zijn soms moeilijke karakter, toch de eenheid met zijn collega’s wist te bewaren). Kortom, monsieur Betz moet een echte monsieur grincheux (mister grumpy) geweest zijn, die met zijn nukken de eenheid binnen de groep danig op de proef gesteld moet hebben. Je hoort dertig jaar na dato als het ware nog een zucht van opluchting door de gelederen gaan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De eeuw van de fagot

Met de presentatie van de complete lijst van Fagotbouwers - nou ja wat is compleet? – los ik een oude schuld in. Zie mijn post Een rijke traditie van 11 februari van vorig jaar.
Ik kom tot 638 bouwers. Afgaande op het overrompelende aantal bouwers in de 19de eeuw moet dat de eeuw van de fagot geweest zijn!
Jammer dat die eeuw voorbij is!  Jammer ook dat we nu nog maar uit een handjevol bouwers kunnen kiezen en de kennis van ons glorieuze verleden zo langzamerhand aan het verdwijnen is. En daarmee de nieuwsgierigheid om in het verleden te duiken en instrumenten werkelijk te verbeteren zoals in die eeuw van de fagot gebeurd is.
Want aan het begin van de negentiende eeuw was het Carl Almenraeder die het instrument geschikt maakte voor het symfonisch repertoire en een paar decennia later was het Wilhelm Heckel met in zijn kielzog een handjevol concurrenten zoals Reinhold Lange en Karl Stritter die de fagot klaarstoomden voor de twintigste eeuw. We teren nog steeds op hun verrichtingen. Sindsdien is er aan de fagot niets wezenlijks meer veranderd. Waar zelfs de contrafagot – dat anachronisme bij uitstek – door Guntram Wolfs Kontraforte in één klap verworden is tot een period instrument blijven wij gewoon door klunen op onze zwaar verouderde baspijpen. Wie durft te beweren dat de moderne fagot toch wel wat beter is dan pak hem beet zo eentje van voor de oorlog is ernstig dwalende en zou zich dringend bij een oorarts moeten vervoegen. Of zou misschien bij wijze van therapie toch nog eens moeten luisteren naar Bernard Garfield en zijn Amerikaanse collega’s.
In de inleiding van de catalogus van de tentoonstelling van fagotten in de IJsbreker in 1992 citeerde ik de Poolse componist Lutoslavski die zich tijdens een lezing aan het Rotterdams Conservatorium in vertwijfeling afvroeg hoe het mogelijk was dat de fagot in een tijdperk van ruimtevaart en digitale technieken nog steeds bespeeld kon worden. Inmiddels zijn er twintig jaar verstreken, maar zijn opmerking is helaas nog steeds onverminderd van kracht.

Geplaatst in Geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een leuk stel

Dat fagottisten ook heel creatief kunnen zijn, bewijst Henk de Wit met deze bewerking van een foto van Trio Tres Triste. Voor het origineel kijkt u bij mijn post Eén is genoeg van 30 januari jl.

Geplaatst in contrafagot, fagot, Geschiedenis | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Such a cad am I!


Les Baroques
Waar zouden we zijn zonder Youtube? De site is een onuitputtelijke bron van fagotcuriosa en naar mijn mening een ongekende verrijking van ons leven. Kijk en luister hier bijvoorbeeld eens naar een wilde videoclip uit 1965 van de Baarnse beatgroep Les Baroques. Het langharig werkschuw tuig koelt zijn ‘woede’ op een piano waar een fagot natuurlijk veel toepasselijker was geweest. Dat zou een unicum in de geschiedenis van de fagot geweest zijn. Gemiste kans, jammer!

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen